Actueel
Een kandidaat uit Winter vol Liefde ligt op sterven 😭
Zeven maanden geleden kreeg Winter Vol Liefde-deelnemer Maarten van Gent slecht nieuws. Artsen vertelden hem dat hij alvleesklierk*nker heeft en nog maar drie maanden te leven had. Toch blijft hij opvallend kalm onder zijn situatie. “Ik maak me er totaal niet druk om,” zegt hij in een openhartig interview met Story.

Een keiharde diagnose
Toen Maarten te horen kreeg dat hij ongeneeslijk z!ek was, stond zijn wereld even stil. Toch koos hij ervoor om zijn leven niet door angst te laten bepalen. “Mensen zeggen tegen me dat ik moet v*chten, maar daar heb ik geen boodschap aan,” zegt hij. “Ik geloof niet in v*chten tegen k*nker. Wat komt, dat komt.”
Zijn nuchtere houding is iets wat kijkers van Winter Vol Liefde al eerder opviel. Hij was een man van weinig woorden en hield zijn emoties vaak voor zichzelf. In het programma kwam hij soms wat afstandelijk over, en datzelfde lijkt nu het geval te zijn bij zijn z!ekte.

“Veel mensen zeggen: ‘Sterkte,’ maar ik begrijp niet goed waarom,” vertelt hij. “Wat moet ik doen met sterkte wensen? Met d00dgaan? Ze bedoelen het vast goed, maar voor mij heeft het geen zin.”
Een onverwachte behandeling
In eerste instantie zag Maarten er geen nut in om een behandeling te starten. Hij wilde geen zware chemotherapie ondergaan om zijn leven een paar maanden te rekken. Toch dachten zijn zonen Jan Aare (29) en Robin (20), en hun moeder Piret daar anders over. Zij drongen erop aan dat hij toch een poging zou wagen.

Uiteindelijk besloot Maarten mee te gaan in hun wens en startte hij een chemokuur. “Ik deed het vooral voor hen,” geeft hij toe. “Ze hadden er veel moeite mee en wilden niet dat ik zomaar opgaf.”
De kans op succes was klein, maar tot ieders verrassing sloeg de behandeling enigszins aan. Zijn gezondheid stabiliseerde, en hij kreeg meer tijd dan aanvankelijk werd verwacht. Toch koos Maarten er na een paar maanden voor om te stoppen met de chemo. “Ik zag er het nut niet meer van in,” legt hij uit. “Ik voelde me zwak en misselijk, en het leverde me niets op.”

Leven met de d00d in zicht
Sinds zijn diagnose is Maarten dertig kilo afgevallen, maar zijn nuchterheid heeft hij niet verloren. “Mijn enige zorg is dat ik geen pijn wil lijden,” zegt hij. Gelukkig heeft hij daarvoor medicatie. “Ik heb oxycodon en die pillen helpen goed.”
Hij maakt zich niet druk over zijn eigen lot, maar wel over het verdriet dat hij achterlaat. “Voor mijn dierbaren is dit veel erger dan voor mij,” vertelt hij. “Zij moeten straks zonder mij verder, en dat is moeilijk. Maar ik probeer hen zo goed mogelijk voor te bereiden.”

Ondertussen krijgt hij veel steunbetuigingen van mensen om hem heen. De reacties zijn hartverwarmend, maar soms ook lastig. “Mensen hebben vaak meer moeite met mijn situatie dan ikzelf,” merkt hij op. “Ze weten niet goed wat ze moeten zeggen.”
Winter Vol Liefde: geen liefde, wel prachtige beelden van Estland
Zijn deelname aan Winter Vol Liefde leverde hem uiteindelijk geen relatie op. Vrouwen vonden hem afstandelijk en moeilijk te peilen. Zelf kijkt hij er niet rouwig op terug. “Ik wist van tevoren dat het lastig zou worden,” zegt hij.
Voor Maarten draaide het avontuur niet alleen om de liefde. “Ik wilde vooral Estland laten zien,” vertelt hij. “Het is een prachtig land en ik hoop dat mensen door het programma nieuwsgierig zijn geworden.”

Hij kijkt met tevredenheid terug op zijn deelname, ook al vond hij niet de ware liefde. “Het was een mooie ervaring. Ik heb mezelf laten zien zoals ik ben, zonder fratsen.”
Rust vinden in de laatste fase
Met de tijd die hij nog heeft, probeert Maarten zo normaal mogelijk te leven. Hij brengt tijd door met zijn familie, geniet van de kleine dingen en blijft in zijn geliefde Estland. “Ik voel me hier thuis. Hier wil ik mijn laatste dagen doorbrengen.”
Zijn nuchtere instelling helpt hem om het onvermijdelijke te accepteren. “Ik heb een mooi leven gehad,” zegt hij. “En als het straks voorbij is, dan is het voorbij.”

Zijn verhaal is er een van acceptatie, liefde en loslaten. Ondanks de zware diagnose blijft hij trouw aan zichzelf. Voor Maarten draait het niet om v*chten tegen het onvermijdelijke, maar om het waarderen van wat er nog is. En dat is misschien wel de krachtigste boodschap die hij achterlaat.
Actueel
Woede om opmerking van woonminister over Nederlanders die geen huis kunnen krijgen

Woonminister Elanor Boekholt-O’Sullivan krijgt stevige kritiek na uitspraken over de huisvesting van statushouders en Nederlandse starters. In een gesprek met De Telegraaf wordt ze geconfronteerd met de vraag waarom statushouders bij de verdeling van schaarse woningen voorrang zouden moeten kunnen krijgen, terwijl veel jonge woningzoekenden jarenlang moeten wachten. Haar antwoord dat veel starters “gelukkig nog bij hun ouders kunnen, of mogen blijven wonen” valt bij critici bijzonder slecht.
Ook vanuit de politiek wordt fel gereageerd. SGP-leider Chris Stoffer vraagt zich af waarom jongeren die hier zijn opgegroeid telkens achteraan zouden moeten aansluiten. Geert Wilders gaat nog een stap verder en noemt de woonminister naar aanleiding van haar uitspraken een “mafketel”.
Woningnood blijft groot probleem
Nederland kampt al jaren met een groot tekort aan woningen.
Vooral starters merken daar de gevolgen van.
Een betaalbare koopwoning is voor veel jonge mensen moeilijk bereikbaar en ook binnen de sociale huursector kunnen de wachttijden lang zijn.
Wanneer er een betaalbare huurwoning beschikbaar komt, kunnen zich grote aantallen woningzoekenden melden.
Tegelijkertijd moeten gemeenten ook statushouders huisvesten: asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen en daardoor in Nederland mogen blijven.
Precies daar ontstaat een politiek gevoelige discussie.
Discussie over voorrang statushouders
De huisvesting van statushouders zorgt al langere tijd voor debat.
Critici vinden het moeilijk uit te leggen dat jonge Nederlanders jarenlang op een woning kunnen wachten, terwijl statushouders via gemeentelijke regelingen sneller aan woonruimte kunnen komen.
Voorstanders wijzen er juist op dat statushouders na het verkrijgen van hun verblijfsvergunning niet in een asielzoekerscentrum kunnen blijven wonen.
Wanneer zij daar langer blijven, worden bovendien plekken bezet gehouden die nodig zijn voor nieuwe asielzoekers.
De vraag is daarom niet alleen wie een woning krijgt, maar ook waar statushouders terecht moeten wanneer zij het azc moeten verlaten.
SGP-leider begrijpt frustratie jongeren
SGP-fractievoorzitter Chris Stoffer zegt begrip te hebben voor de noodzaak om mensen met een verblijfsstatus onderdak te bieden.
“Ik snap heel goed dat mensen die hier naartoe komen ook een woning moeten hebben”, zegt hij.
Maar volgens Stoffer mag dat niet betekenen dat jonge Nederlanders structureel het gevoel krijgen dat zij achteraan staan.
“Maar dat je nu telkens ziet dat onze jonge mensen die hier altijd al wonen en op zoek zijn naar een huis en een gezin willen stichten, niet aan een woning komen? Het kan toch niet zo zijn dat zij altijd achter komen te staan?”
Daarmee verwoordt hij een frustratie die bij een deel van de woningzoekenden leeft.
Woonminister wijst op verschillende groepen migranten
In het gesprek met De Telegraaf wordt woonminister Boekholt-O’Sullivan gevraagd hoe zij naar het probleem kijkt.
Ze benadrukt eerst dat migratie uit verschillende groepen bestaat.
“We hebben kennismigranten, we hebben arbeidsmigranten, daar moeten ook huizen voor komen, en we hebben statushouders.”
Vervolgens gaat ze specifiek in op die laatste groep.
“En de statushouders zijn nu precies die groep, die mogen in Nederland blijven wonen. Die willen ook in Nederland blijven wonen. En dan is het mijn opgave om ervoor te zorgen dat zij een dak boven hun hoofd hebben.”
Hebben statushouders recht op voorrang?
De verslaggever legt vervolgens de gevoelige kwestie rechtstreeks aan haar voor.
“Maar hebben die recht op voorrang als het gaat over bijvoorbeeld starters op de woningmarkt die geen huis kunnen vinden?”
Boekholt-O’Sullivan erkent daarop het probleem.
“Ik zie die uitdaging ook.”
De verslaggever neemt daar geen genoegen mee en vraagt verder of het niet tijd is om de voorrangspositie van statushouders te beëindigen.
De minister kiest ervoor de vraag vanuit een ander uitgangspunt te beantwoorden.
‘Waar moet zo iemand dan heen?’
“Voor mij is de principiële vraag dat iedereen die in Nederland mag en wil wonen, dat die een dak boven zijn hoofd heeft”, zegt Boekholt-O’Sullivan.
Volgens haar moet daarbij ook worden gekeken naar de situatie waarin iemand zich bevindt voordat hij of zij een woning krijgt.
“Ik vind dat je naar het uitgangspunt moet kijken, waar iemand vanuit vertrekt. En een statushouder vertrekt vanuit een azc. En waar moet zo iemand dan heen?”
Daarmee wijst ze op een probleem dat ontstaat wanneer statushouders geen reguliere woonruimte krijgen.
Minister noemt alternatieven
Wanneer statushouders na het verkrijgen van hun verblijfsvergunning in het azc blijven, zijn volgens de minister uiteindelijk meer opvangplekken nodig.
“Dus dan blijft een statushouder óf in het azc, dat willen we niet, want dan hebben we meer azc’s nodig.”
Een andere mogelijkheid vindt ze evenmin wenselijk.
“Wat ook kan is dat je zegt: dan belanden ze op straat. Dat willen we denk ik met elkaar ook niet.”
Daarna noemt ze tijdelijke opvangmogelijkheden.
“Dan zou je kunnen zeggen, dan gaan we hotels afhuren of cruiseschepen neerleggen. Dat willen we ook niet.”
Volgens Boekholt-O’Sullivan moet daarom eerst een werkbaar alternatief worden gevonden voordat een voorrangsregeling kan verdwijnen.
“Dus er moet wel een echte oplossing komen voor je een voorrangsregeling eraf zou kunnen halen.”
Verslaggever draait redenering om
De journalist van De Telegraaf legt de minister vervolgens een andere situatie voor.
Want wat gebeurt er met een jonge Nederlander die geen woning kan krijgen?
“Je zou het ook om kunnen draaien en kunnen zeggen: die jonge starter die moet dan bij zijn ouders wonen. Dat huis is misschien te klein. Die belandt misschien ook wel op straat?”
Daarmee wordt de tegenstelling scherp neergezet.
“Dus dan krijgt die statushouder, die misschien anders op een cruiseschip komt te wonen, wel een woning, maar die starter niet.”
Het antwoord van de minister zorgt vervolgens voor de meeste discussie.
‘Starters kunnen gelukkig nog bij hun ouders wonen’
Boekholt-O’Sullivan reageert:
“We zien dat heel veel starters gelukkig nog bij hun ouders kunnen, of mogen blijven wonen.”
Juist die uitspraak schiet bij critici in het verkeerde keelgat.
Voor jonge woningzoekenden die al jarenlang proberen zelfstandig te gaan wonen, kan thuis blijven wonen immers juist het gevolg zijn van het gebrek aan betaalbare woningen.
Bovendien geldt vanzelfsprekend niet voor iedere starter dat thuis wonen daadwerkelijk mogelijk of wenselijk is.
De minister zegt in het gesprek echter niet dat starters geen probleem hebben. Ze erkent eerder juist dat er een uitdaging ligt, maar benadrukt dat statushouders die een azc moeten verlaten eveneens ergens moeten worden ondergebracht.
Nieuw plan op komst
Boekholt-O’Sullivan laat tijdens het gesprek weten dat ze binnenkort met verdere plannen komt.
“Dus als u nog een paar dagen geduld heeft…”, zegt ze.
Daarmee lijkt de minister erop te wijzen dat er op korte termijn meer duidelijkheid moet komen over de manier waarop het kabinet met de huisvestingsproblematiek wil omgaan.
Welke concrete maatregelen daarin worden opgenomen, blijkt uit de aangeleverde uitspraken nog niet.
Veel kritiek op uitspraken minister
Onder de berichtgeving van De Telegraaf wordt ondertussen stevig gediscussieerd.
Vooral de opmerking dat veel starters nog bij hun ouders kunnen blijven wonen, roept weerstand op.
Critici vinden dat de uitspraak onvoldoende recht doet aan jongeren die soms jarenlang wachten voordat zij zelfstandig kunnen wonen.
Tegelijkertijd blijft de vraag bestaan welk alternatief er voor statushouders moet komen wanneer zij geen woonruimte krijgen en het azc moeten verlaten.
Het is precies die botsing tussen twee groepen die afhankelijk zijn van een zeer krappe woningmarkt die het onderwerp politiek zo explosief maakt.
Geert Wilders haalt uit
Ook Geert Wilders mengt zich in de discussie.
De PVV-leider reageert bijzonder fel op de uitspraken van Boekholt-O’Sullivan en noemt haar een “mafketel”.
Daarmee is duidelijk dat de discussie over de verdeling van schaarse woningen voorlopig nog lang niet voorbij is.
De minister belooft op korte termijn met een plan te komen. Vooral jonge woningzoekenden zullen willen weten wat dat concreet voor hen betekent.
Want één vraag blijft boven de discussie hangen: hoe verdeel je woningen wanneer er simpelweg niet genoeg zijn voor iedereen die dringend woonruimte nodig heeft?